Welvaart Utrecht

Louis Engelman is onderzoeksjournalist. Hij schreef WELVAART UTRECHT voor Nieuws030, bijna honderd artikelen over de ontwikkeling van Utrecht. 
De Binnenstadskrant Utrecht publiceert elke week twee delen.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 98 (laatste deel)
'UTRECHT HEEFT VEERKRACHT'

(dit interview vond plaats op 2 november 2017)


‘Veerkracht’. In ons gesprek komt burgemeester Jan van Zanen (56) telkens weer terug op dat ene woord als hij duiding geeft aan de ziel van zijn stad. Het klinkt als een mantra. ‘Utrecht heeft een enorme veerkracht. Dat heeft deze gemeenschap in de afgelopen tientallen jaren wel aangetoond.’


Van Zanen voelt er daarom weinig voor om zomaar mee te gaan in de waarschuwingen die diverse geïnterviewden in deze serie in de vorige afleveringen uitten. Die spraken van ernstige bedreigingen, waaronder de sociale tweedeling, de economische gemakzucht, het gebrek aan internationale ambitie, de onbetaalbaarheid van het wonen in het centrum en het oprukken van de horeca.


Niet dat de burgemeester deze gevaren voor de toekomst niet onderkent. Maar hij kiest voor een ander perspectief. ‘De vraag moet niet zijn hoe bedreigend ze zijn’, zegt hij, ‘maar of wij ze als samenleving het hoofd kunnen bieden. En dan is mijn stelling: ja, dat kunnen we.’


De geschiedenis heeft tot nu toe zijn gelijk bewezen, meent Van Zanen. ‘Ik roep de sluiting van Werkspoor en Demka in herinnering. Honderden  ontslagen. Dat was wat hoor. En wat deed Utrecht? Die ontwikkelde zich. Van een industriestad naar de centrale plek voor de zakelijke dienstverlening in Nederland. Feitelijk heeft de verzorgingsstaat van toen zich hier ontwikkeld. Bijna een derde van alle werkgelegenheid is inmiddels aan de gezondheidszorg gerelateerd.’

 


Van Zanen: 'Het komt allemaal niet vanzelf aanwaaien' (Foto: Ton van den Berg)

 


De burgemeester gelooft ook niet dat de tegenstelling tussen het Utrecht van nu (bruisend en welvarend) en van vijftig jaar terug (verarmd en in zichzelf gekeerd) helemaal juist is. ‘Veel oudere mensen zullen zich in die beschrijving niet herkennen. Die praten met trots en stoerheid over hun stad in de jaren vijftig en zestig. Die nuance wil ik wel aanbrengen.’


Niettemin ziet ook hij wel dat het Utrecht momenteel voor de wind gaat. ‘De stad is geweldig opgeknapt en ligt er beter bij dan ooit tevoren. Misschien dat we, als we er over zo’n vijftien jaar op terugkijken, zullen vaststellen dat Utrecht nu een gouden eeuw beleeft.’
Natuurlijk zijn er zaken, vindt hij, die om aandacht vragen. ‘Maar laten we nou niet meteen beginnen te zuchten en steunen. Het is een beetje elitair om nu te gaan roepen wat voor onheil er op ons af komt.’


Van Zanen toont zich optimistischer. Hij geeft uiting aan een groot vertrouwen in de blijvende ontwikkeling van Utrecht. Dat de levensstandaard in het oostelijk deel van de stad hoger ligt dan in Overvecht en Kanaleneiland erkent hij volmondig. Maar hij vindt het te ver gaan om van een tweedeling te spreken.
‘Zeker, er zijn verschillen in inkomen, in opleiding en gezondheid. Maar die zie je eerder op het niveau van buurten dan van wijken. Kijk maar eens naar de ontwikkeling van Hoograven, Rotsoord en Kanaleneiland. Heel dynamisch. En ik weiger ook om Overvecht tot een slechte wijk te bestempelen. Er zijn portieken waarin het niet goed gaat. Daar moet je wat aan doen. Ik prijs me gelukkig dat die aanpak in Utrecht redelijk goed gaat. Er wordt met publiek en privaat geld veel in geïnvesteerd.’


Nadrukkelijk wijst de burgemeester erop dat het niet alleen de taak van ‘het stadhuis’ is om iedere Utrechter te laten delen in de welvaart. ‘We zullen daar allemaal aan moeten meedoen. Zo houd ik bewoners altijd voor dat ze niet gelukkig zullen worden in een stad die er alleen voor hen is. Je kunt pas gelukkig zijn als je in staat bent je geluk met elkaar te delen.’


Pratend over de groei van Utrecht noemt hij het ‘verstandig’ van de gemeenteraad om in de nieuwe gebieden (Jaarbeurskwartier en Merwedekanaalzone) in dichte eenheden te bouwen. ‘Zo kunnen ook starters hier een plek vinden. Als gemeente moet je het wonen zo faciliteren dat het voor iedereen haalbaar blijft. We investeren ons met publiek geld te pletter. En terecht.’


Over het geheel gezien constateert Van Zanen dat Utrecht ‘er goed voor staat’. Hij verwijst daarbij naar  de beoordelingen van internationale instituties als de Europese Commissie die Utrecht tot één van de meest competitieve regio’s van Europa uitriepen. Na Londen. En naar de tweede plek in de woonaantrekkelijkheidsindex, na Amsterdam. ‘En nu ook: Unesco City of Literature. Maar gemakzuchtig mogen we zeker niet worden’, vindt hij. ‘Het komt je niet vanzelf aanwaaien, ook al lig je centraal in het land.’


Qua economisch profiel van de stad denkt de burgemeester dat Utrecht de juiste keuze heeft gemaakt door zich te onderscheiden op de terreinen van ‘gezond stedelijk leven’ en de ‘zakelijke dienstverlening’.
‘Veel nationale hoofdkantoren zijn in Utrecht gevestigd. Dat een bedrijf als VodafoneZiggo ervoor kiest een centraal kantoor in Utrecht te vestigen is geweldig. Daarnaast zijn we heel goed in de medische sector, zoals (kinder)oncologie. En ik heb grote bewondering voor zo iemand als Robin Berg van Lomboxnet, die de energie hergebruikt van oplaadbare auto’s. Dat zijn geweldige initiatieven.’


Internationaal heeft Utrecht volgens Van Zanen om die reden heel veel te bieden. ‘We staan als fietsstad niet voor niets met de grootste fietsenstalling ter wereld op de voorpagina van de New York Times. Maar daar moet je wel blijvend aandacht aan besteden.’


Toeristische drama’s zoals deze zich in Amsterdam voordoen verwacht Van Zanen niet in Utrecht. ‘Ik heb me vanaf het begin verzet tegen een ‘Volendamnisering’ van onze  stad. Dat gaat hier ook niet gebeuren. Wij hebben een heel ander aanbod.’


Waar hij zich persoonlijk soms nog wel zorgen over maakt is de vraag of de verschillende groepen in de Utrechtse samenleving nog wel goed met elkaar kunnen communiceren. ‘Spreken we elkaars taal voldoende? Kunnen we de verbinding nog leggen? Voelen mensen zich nog gehoord? Of trekken we ons terug op ons eigen terrein, in de eigen buurt? En ik bedoel daar alle lagen van de bevolking mee.’
 We investeren ons als overheid  kleurenblind in contacten met bewoners. Zowel in persoonlijke contacten als in allerlei andere communicatiemiddelen.. Maar of het er beter op wordt. Dat weet ik niet. Wat kun je daar op verzinnen? Ja, daar maak ik me wel zorgen over.’

 

 

 

Welvaart Utrecht: deel 97
WONEN IN EEN GEZONDE DUURZAME STAD

 

'Niet alleen voor de lagere klasse biedt de toekomst minder perspectief. Ook de middenklasse moet op haar tellen letten. Die waarschuwing komt van economisch-geografisch onderzoeker Roderik Ponds. Hij wijst op het risico dat Utrecht qua huizenprijzen ook voor de middengroep te duur wordt. ‘Zo duur dat er voor de jonge generatie geen plek meer is.’


Hij geeft een voorbeeld: ‘Je bent 23 jaar, afgestudeerd, maar je hebt nog niet genoeg geld voor een koopwoning. En je hebt geen recht op een sociale huurwoning. Dan heb je dus een probleem.’ Volgens hem moeten er meer huizen komen waarvan de huur tussen de 500 en 1000 euro ligt. ‘Tweeverdieners zouden die prijs wel kunnen opbrengen.’


Hans Spekman (voormalig wethouder) breekt daarnaast nog graag een lans voor de ‘creatieve gebruikers van de stad’. Utrecht kan slecht tegen ‘rommelruimtes’, vindt hij. ‘Ze willen die telkens gaan opruimen. Maar daar vindt juist veel creativiteit plaats. Zo’n vestiging als dBS aan de Cartesiusweg is toch fantastisch? En Kyteman gaf de Zeedijk mede vorm. Je hebt in de stad dit soort broeinesten nodig. Die ruimtes moet je niet allemaal opnieuw willen bestemmen.’

 


Het gebouw van dBS aan de Cartesiusweg (foto: Nieuws030)



Voor Kees van Oosten is de grootste zorg nog niet eens het wonen, maar het stadsmilieu. Als voorzitter van de Stichting Stop Luchtvervuiling Utrecht (SSLU) waarschuwt hij al lange tijd voor de gevolgen van de milieuverontreiniging. Op basis van cijfers van het RIVM berekende hij dat er in Utrecht jaarlijks minstens 315 mensen tien jaar te vroeg sterven vanwege de luchtvervuiling.


Het zit hem dwars dat de gemeenteraad daar volgens hem niets van wil weten. ‘Het autoverkeer groeit nog steeds. Er worden nog steeds parkeergarages gebouwd en ongelijkvloerse kruisingen aangelegd om nog sneller naar het Stationsgebied te kunnen komen. De politiek moedigt het autoverkeer nog altijd aan.’

 


De Fly-over op de kruising bij het 24 oktoberplein (foto: Nieuws030)



Van Oosten ergert zich eraan dat het college met GroenLinks wethouder Van Hooijdonk voorop de bevolking wil doen geloven dat het andersom is. ‘Elk jaar neemt de uitstoot van CO2 nog toe. Utrecht is wat dat betreft koploper in de race naar klimaatopwarming. Het verkeer is de belangrijkste bron van de luchtvervuiling. Dan moet Utrecht niet beweren te streven naar een klimaatneutrale stad. Het omgekeerde is het geval. Hoe kom je erbij om dat welvaart te noemen?’


Jos Kloppenborg, actievoerder tegen de verbreding van de A27, herkent zich in die kritiek. ‘De verkeersproblematiek op de ring rond Utrecht wordt weer vergroot. Dan haal je de auto’s weer terug naar de poorten van de stad. Hij ziet dit als een testcase voor de toekomst. ‘Buigen we voor het autosysteem of zetten we in op een gezonde duurzame stad?

 

 

Welvaart Utrecht: deel 96
BINNENSTAD MAG WOONFUNCTIE NIET VERLIEZEN


‘Het is voor de binnenstad belangrijk dat de woonfunctie wordt behouden.’ Die hartenkreet komt van Bert Maes, ecoloog en lid van de Werkgroep Herstel Leefbaarheid Oude Stadswijken. Zelf woont hij in een middeleeuws huis Achter Clarenburg. Maes ziet dat het wonen in het centrum van Utrecht ‘enorm onder druk’ is komen te staan. ‘De huizen worden te duur om te kopen en dat proces wordt versneld door de oprukkende horeca.’


Hij wil de gemeente daarom graag waarschuwen. ‘Pas op! Vergeet niet het belang van het wonen, want dit houdt de leefbaarheid van de stad in stand. Juist de mogelijkheid te hebben om uit de diversiteit van woningen in de binnenstad te kunnen kiezen maakt de situatie aangenaam. Dan verlies je de sociale controle niet. De gemeente moet dat leren waarderen. Nu is er geen duidelijk beleid voor het behoud van de woonfunctie in het centrum. Terwijl wonen in zo’n oud huis als dit fantastisch is.’


Oud-PvdA-raadslid Hans Versnel trekt het nog wat breder. Het demografische verschil tussen het oosten en het westen van de stad zint hem helemaal niet. ‘Er is een duidelijke tweedeling te zien. En ik vind het eigenlijk wel heel teleurstellend dat de PvdA, die sinds de oorlog bijna steeds in Utrecht aan het bewind is geweest, aan die ontwikkeling heeft meegewerkt. Die gespletenheid is ons gewoon ontgaan. Maar ik vind wel dat dit moet worden hersteld.’


Volgens Versnel moet het stadsbestuur een volkshuisvestingsbeleid voeren waarin iedereen een kans heeft. ‘Dat gebeurt nu niet. Je ziet het ook weer bij dat project van de Veemarkt, in zogenaamd particulier ondernemerschap. Maar wel alleen voor mensen met hoge inkomens. Op die manier ga je elitewijken creëren. Je zult toch ook een impuls moeten geven voor de mensen die dergelijke hoge prijzen niet kunnen betalen.’

 


De woonfunctie langs de Oudegracht maakt dit
gebied extra aantrekkelijk (foto: Nieuws030)

 


Kees van Oosten, stadssocioloog en kritisch beoordelaar van het gemeentelijke beleid, kan juist daarover uit z’n vel springen. ‘In 1996 had je in Utrecht nog 47 procent sociale woningbouw’, zegt hij. ‘Maar dat vonden ze toen te veel. Het moest terug naar 30 procent. Want ze wilden een draagkrachtige burgerij. Er waren te veel sloebers.’


Dat werd een lucratief beleid, aldus Van Oosten, vooral voor de woningcorporaties. ‘Die mochten zich opeens als projectontwikkelaar gaan gedragen. Maar ook voor de gemeente was het winstgevend. De grond onder de sociale bouw leverde te weinig op. Met koopwoningen op erfpacht loop je binnen.’


De bijkomende filosofie was, zegt hij, dat je de wijken moest mengen. ‘De weinig verdienenden moesten in aantal worden teruggebracht en worden vervangen door een meer draagkrachtige bevolking. Bijkomend effect zou zijn dat de criminaliteit zou afnemen, waarmee arme mensen meteen ook voor crimineel werden versleten.’


Dit beleid is sinds 2011 volgens Van Oosten planmatig doorgevoerd. ‘Dat is zichtbaar in wijken als Ondiep en Zuilen. Arme mensen worden afgeschoven naar Leidsche Rijn. Daar werden de compenserende sociale huurwoningen gebouwd voor deze weggesaneerde bevolking. Alles verpakt in het verhaal dat het goed is om arm en rijk te mengen.’


Of de stad er daardoor mooier op is geworden is volgens hem een kwestie van perceptie. ‘In Ondiep is bijvoorbeeld ‘het kleine wijk’ verdwenen, inclusief de oorspronkelijke bewoners. Nu wonen er artsen en advocaten.’


Niemand zal ontkennen, aldus Van Oosten, dat de nieuwe woningen van een kwalitatief beter niveau zijn. ‘Maar wat wordt vergeten is dat opknappen ook een mogelijkheid was. Dan zou je nog wat terugzien van de historie van de stad. Op veel plekken is die nu verdwenen. Mensen vinden dat vervelend. Zij zijn daarmee beroofd van een stuk van hun jeugd.’

 

 

Welvaart Utrecht: deel 95
'STAD MOET GEVOEL VAN HUISKAMER HOUDEN'


Als in de gesprekken die ik heb gevoerd de gevaren op het gebied van het leefklimaat aan de orde komen, hameren sommige geïnterviewden op de bescherming van de schaal van Utrecht. ‘Je moet in de stad het gevoel van een huiskamer houden’, vindt Els Leicher, oud-wijkmanager in dat deel van Utrecht.


De waardering daarvoor is volgens haar niet vanzelf gekomen. ‘Bij de verbetering van het leefklimaat in Utrecht is het essentieel geweest dat er onder de wijkbewoners een collectief bewustzijn is ontstaan dat je ook zelf de zorg hebt voor je eigen woonomgeving.’


Daardoor werden, zegt zij, buurtcomités opgericht zoals de Werkgroep Verfraaiing Breedstraat en begreep men in het Museumkwartier dat wonen en cultuur goed konden worden samengebracht. Daar hielp de schaal van Utrecht aan mee, aldus Els. ‘Het zijn relatief kleine buurten die toch een echte entiteit zijn.’ Persoonlijk is ze er trots op tijdens haar werk de Zeven Steegjes te hebben kunnen behouden. ‘Het plan bestond om die 104 huisjes te slopen en er stadsvilla’s neer te zetten.’

 



De Wijde Doelen, één van de karakteristieke straatjes
in het Museumkwartier (foto: Nieuws030)

 

 


Utrecht moet monocultuur bestrijden, vindt ze. ‘Daarin is het nooit prettig te wonen. Zie de concentratie kroegen op de Nobelstraat. Daar hebben de bezoekers niet meer het gevoel dat ze ‘te gast’ zijn in een woonomgeving.’


Ook Vincent Oldenborg (voormalig raadslid voor Leefbaar Utrecht) hamert op het bewaren van het evenwicht in de stad. ‘Kijk, de Neude is nu een leuke plek om dingen te doen, zoals festivals. Maar je moet het ook weer niet overdrijven. Zo waren er op de Steenweg op een moment veel te veel belwinkels. En op de Biltstraat dreigt nu het gevaar dat er te veel horeca ontstaat. Zoek naar een mix.’


Stadsgeograaf Roland Goetgeluk spreekt in dit verband over ‘belevingseconomie’. Hij vindt dat de burger ruimte moet worden geboden. En hij ziet dat niet gebeuren in het Stationsgebied. “Dat is geen sociale plek en dat gaat het ook niet worden’, vreest hij.


Als voorbeeld noemt Goetgeluk het mooie gemeentekantoor, waar dan het WTC pal tegenaan wordt gebouwd. ‘Doe dat niet. Lijd liever verlies op de grondkosten en maak winst met de toegevoegde waarde. Maar helaas kan dat niet meer omdat er heel domme contracten zijn afgesloten. De gemeente is amateuristisch bezig geweest. De bedrijven waren slimmer.’


Ook wijst hij daarbij op het nieuwe TivoliVredenburg. ‘Waar vind je daar de ingang? Dat gevoel uit zich extreem in het centrumgebied. Waaruit blijkt dat de gemeente er eigenlijk weinig visie op heeft waar de stad naar toe moet.’

 


Horeca op de Biltstraat (foto: Nieuws030)

 


Hoofdredacteur van de Binnenstadskrant, Dick Franssen, kijkt van zijn kant met argusogen naar de inspanningen van de stad om toeristen naar Utrecht te lokken. ‘Er komen een heleboel hotelkamers bij. Maar laten we wel oppassen. Want wat gaan die dan bekijken? Er is hier geen Rijksmuseum, wij hebben geen grote publiekstrekkers. Utrecht is gewoon de vierde stad van het land. Dan moet je je plaats kennen. Trek niet een te grote broek aan. De stad moet haar grenzen kennen en in de gaten houden wat er verantwoord is.’


Ook is hij sceptisch over de ontwikkelingen op het Vreeburg. ‘Dat plein is inmiddels zo’n beetje gehalveerd. Maar zonder markt nog steeds een kale ruimte. Wel vraag ik me af hoe dat straks zal gaan. Dan moeten al die voetgangers via de hoofdentree van Hoog Catharijne over het Vreeburg. Het zou me niets verbazen als er dan een lobby ontstaat bij de grote winkeliers om de markt weg te halen, zodat ze hun etalages kunnen laten zien.’

 

 

Welvaart Utrecht: deel 94
'BESCHEIDENHEID IS DE BELANGRIJKSTE BEDREIGING'

 

Hans van Ginkel, oud-rector magnificus van de UU, wil – als we over de bedreigingen praten - verder kijken dan de grenzen van de gemeente of die van Nederland. Met zijn grote ervaring in het buitenland heeft hij een andere visie op de positie van Utrecht.


‘Kijk, Singapore is een stad én een land. Maar Nederland is behalve land feitelijk ook één stad. Zo wordt dat in het buitenland gezien. Alleen weten de Nederlanders dat nog niet. Ik praat daarom altijd over ‘Holland City’ als stad en over The Netherlands als land.’


Hij maakt de vergelijking met steden als Beijing of Tokyo. ‘De Japanse hoofdstad telt 30 miljoen inwoners op een grondgebied dat twee keer kleiner is dan Nederland. Toen ze de bioscoop CineMec bouwden in Leidsche Rijn dachten velen: wat gek, zo ver weg. Maar in Tokyo is het heel gewoon om even de trein te pakken om naar de bios te gaan. In Utrecht is dat over twintig jaar net zo gewoon.’


Wel moet het bestuur ervoor zorgen, aldus Van Ginkel, dat de stadskernen als Leidsche Rijn, Lombok enz. hun eigen karakter blijven behouden. Dat is heel belangrijk. Want juist die eigenheid moeten de bewoners van die wijken zich kunnen identificeren.’


Wat het Utrecht Science Park betreft houdt Van Ginkel ook die brede visie. ‘Binnen dat concept van ‘Wetenschapscentrum Utrecht’, zoals dat in de jaren negentig werd ontwikkeld, vallen ook De Bilt, Soesterberg, Zeist en Amersfoort. Je moet alleen zorgen dat je de verbindingen optimaliseert. Dus waarom zou de tramlijn eindigen in De Uithof? Trek die door naar Bilthoven en Driebergen-Zeist.


Wat Utrecht vooral niet moet doen is ‘de kip met de gouden eieren slachten’, vindt hij. ‘En dan heb ik het over de kennissector, de jongeren in de stad. Je hoeft voor hen geen stimulerend beleid te voeren, veel eerder zal je je op het ‘omgevingsbeleid’ moeten richten. Zorg dat je die jongeren niet met je regelgeving in de weg zit bij de ontwikkeling van hun ideeën.’


En dat moeten we volgens Van Ginkel ruim zien. ‘Een groot gevaar is als de stad alleen naar zichzelf blijft kijken. Waar Utrecht sterk in is, maakt onderdeel uit van een groter geheel. Ze roemen wel de Utrechtse game-industrie, maar in feite groeit die in de slipstream van Amsterdam. Dat moet je gewoon erkennen en niet in een competitiegevoel terecht komen.’


Als voorbeeld noemt hij de komst van Danone naar de Uithof. ‘Maar Friesland Campina zit echt wel in Wageningen. Dus zorg dat je weet wat die ander doet en werk zoveel mogelijk samen. Het mooiste is als anderen vertellen waar je goed in bent. Klop jezelf niet op de borst. Publiciteit in de internationale media, daar heb je meer aan.’


Ambitie, dat is wat Utrecht nodig heeft in de ogen van Van Ginkel. ‘Bescheidenheid is eigenlijk de belangrijkste bedreiging, dat kan heel negatief uitpakken. In de jaren tachtig stond de Universiteit Utrecht bekend als een grijze muis. Tot we meer initiatief en lef gingen tonen. Nu heeft gericht onderzoeks- en onderwijsbeleid de UU naar zeer hoge plaatsen op de internationale rankings gebracht, vaak als beste van Nederland en bij de eerste tien van Europa.’

 


Hans van Ginkel (foto: Nieuws030)

 

Er is alle reden om zelfbewust te zijn, meent Van Ginkel, en te zeggen: Wij zíjn Utrecht! ‘We mogen gezien worden. Tot die conclusie waren veel buitenlanders al lang gekomen, nu de Utrechters zelf nog.’


Die redenering kan Jaap Zwart, oud-CDA-wethouder, alleen maar beamen. Utrecht mag niet stilzitten. ‘Want Europa’, zegt hij, ‘vormt feitelijk de grootste bedreiging.’ Hij wil daarmee zeggen dat het profijt van nu, nog niet de winst van later hoeft te zijn. Zwart: ‘Let wel. We liggen dan wel centraal in Nederland, maar niet in Europa!’


De indicaties daarvoor zijn er volgens hem al. ‘De grote regionale kantoren zijn al opgehouden te bestaan. Die zijn onderdeel van multinationals geworden. De Amev is verdwenen, het hoofdkwartier van Douwe Egberts zit in Amsterdam.’
De ‘economische return’ van deze bedrijven is daardoor, aldus Zwart, op een veel lager niveau komen te liggen.


Utrecht moet daar volgens hem op letten. ‘Het feit dat de Rabobank in Utrecht zit is voor de stad van gigantisch belang. Zonder de Rabo was de Tour zeker niet naar Utrecht gekomen.’


Roderik Ponds van de ‘Atlas voor Gemeenten’ vraagt zich wel af in hoeverre de gemeente zelf kan beslissen over wat er in de stad gebeurt. ‘Welke rol hebben de Jaarbeurs en Klépierre (voorheen Corio) daarin? Want eigenlijk is het natuurlijk wel raar dat je rondom de Jaarbeurs, in wezen midden in de stad, zo’n enorme oppervlakte aan parkeerruimte hebt. Ook de financiële invloed van Klépierre lijkt me een enorme machtsfactor. Ik denk dat de belangen van een commercieel bedrijf niet altijd overeenkomen met die van de stad. In veel gevallen zal dit wel het geval zijn. Want beide profiteren van een groei. Maar het is wel goed om de positie van de stad goed in de gaten te houden.’


 

Welvaart Utrecht: deel 93
UTRECHT MAG NIET GEMAKSZUCHTIG WORDEN

 

Als we praten over de economische gevaren voor Utrecht, dan valt een aantal keer het woord ‘gemakzucht’. Daar wordt ernstig voor gewaarschuwd. Want het feit dat het Utrecht momenteel goed gaat is nog geen garantie voor de toekomst.


Voorzitter Pieter Leyssius van de Utrechtse Ondernemers Sociëteit vindt in dat verband dat Utrecht te weinig internationaal gericht is. ‘Uit onderzoek blijkt’, zegt hij, ‘Utrecht doet het vooral met Utrecht’. Lokale connecties zijn er genoeg.
Leyssius: ‘Er is wel veel interactie met elkaar, maar de kans om meer internationaal te doen laat de stad liggen.’ Hij wijt dat aan een vorm van gemakzucht. ‘Het ging Utrecht in de afgelopen jaren voor de wind. De stad is de crisis goed doorgekomen. Maar dat komt vooral doordat de zorgsector is blijven groeien.’


Utrecht zou zich volgens hem ook veel beter moeten positioneren. ‘Zoals Eindhoven en Wageningen hebben gedaan. Die hebben duidelijke keuzes gemaakt. Eindhoven heeft voor ‘brainport’ gekozen. In Utrecht zou men zich kunnen profileren als de plek waar ‘zorg en dienstverlening’ bij elkaar komen.


Maar hoe dan ook móét er gekozen worden. Je moet je onderscheiden. Doe je dat niet, dan krijg je het V&D-effect. Een buitenlandse investeerder vraagt dan: waarom zou ik in Utrecht investeren? Je hebt dan geen economisch antwoord.’
Leyssius zet om die reden nu nog vraagtekens bij delegaties zoals naar Taiwan. ‘Je moet echt een duidelijk verhaal hebben en laten zien wat de toegevoegde waarde is.’


Een soortgelijke waarschuwing komt uit de mond van Floris de Gelder, tot voor kort directeur van het Utrecht Science Park. Ook hij onderstreept dat Utrecht zich zal moeten onderscheiden, zowel in Nederland als daarbuiten. ‘Bijvoorbeeld door hét centrum voor oncologie te worden. Of door stamcelonderzoek. Of door het onderzoek van virussen in de relatie tussen mens en dier, zoals vogelgriep en q-koorts.’

 


Onderzoek bij Nutricia Research (foto Danone)
 


‘In al die dingen zijn we goed in Utrecht’, zegt hij. ‘We hebben op die gebieden heel veel potentie. Dat moeten we uitbouwen. Dus hard werken en niet vadsig worden omdat het toch allemaal wel loopt. Ik denk overigens dat we dat kunnen. Daar ben ik optimistisch over.’


Volgens De Gelder zal er in Nederland ook onderling meer moeten worden samengewerkt. ‘Stuur niet allemaal je eigen handelsmissie naar China. Dat werkt niet. Want op de schaal van de wereldeconomie wordt Nederland gewoon als één stad gezien.’


Hans Spekman (oud-PvdA-wethouder) is er eveneens van overtuigd dat de stad op een aantal terreinen moet willen excelleren. ‘Je ziet dat Eindhoven Utrecht momenteel passeert op het terrein van bedrijvigheid en creativiteit. Utrecht heeft dan wel het voordeel van de centrale ligging, maar dat hoeft niet altijd zo te blijven. Je ziet nu al meer een verschuiving naar het zuiden.’


Volgens Spekman zou de stad bijvoorbeeld nog meer ruimte kunnen maken voor de ‘bio-based-economy’ op het Utrecht Science Park, zoals nu gebeurt na de komst van Danone. ‘Die ontwikkeling kan je versterken. Maar belangrijk is: creëer geen eenzijdige economie. Je alleen richten op de dienstensector is heel kwetsbaar, Als stad mag je niet gemakzuchtig worden.’


Adviseur van de Kamer van Koophandel, Peter Ewalts, kiest in dit verband liever het woord ‘kansen’ dan gevaren. ‘Zeker bij de oudere generatie heerst een zekere gemakzucht omdat het bijna vanzelf gaat. Maar gelukkig komt de nieuwe generatie wel met allerlei nieuwe ideeën. Als stad moet je dat organiseren. We moeten de kansen grijpen, voor de uitdagingen gaan en niet blijven millimeteren over elke stoeptegel. Het Utrecht Science Park is zo’n voorbeeld van vernieuwing. En ook de gamingindustrie gaat in een hoog tempo door. Wat dat betreft heeft Utrecht economisch nog steeds een heel goede uitgangspositie.’

 

 

Welvaart Utrecht: deel 92
PROCES VAN GESPLETEN STAD AL LANGER GAANDE

 

Aan een aantal van de door mij geïnterviewde Utrechters heb ik de vraag voorgelegd welke gevaren de stad bedreigen. Globaal zijn hun antwoorden in drie groepen te verdelen: ‘tweedeling in de samenleving’, ‘de economie van de stad’ en ‘wonen/leefbaarheid’. Ik neem de vrijheid aan het slot van deze artikelenreeks hun waarschuwingen uitgebreid weer te geven.


Pieter Akkermans, adviseur woonprojecten, vreest voor een sociale splijting van Utrecht waarbij de hoger opgeleide stedeling vervreemdt van de lager opgeleide. ‘De stadsvernieuwing was voorheen op de tweede groep gericht, maar voor hen is er nu niet veel aandacht meer’, zegt hij. ‘Voor de onderklasse zijn er nauwelijks huizen te vinden. Zo kan een hele bevolkingsgroep zich uitgesloten gaan voelen.’


Volgens Akkermans tekent dit de zelfgenoegzaamheid van Utrecht. ‘Het gaat toch wel goed. Maar deze mensen delen niet mee in de welvaart’. In wijken als Zuilen en Ondiep dreigen daarom volgens hem spanningen te ontstaan. ‘Mensen die er al generaties woonden voelen zich ontheemd. Hun normen en waarden verkruimelen in een andere manier van samenleven. Dan gaan zij zich daarvan afkeren.’


Hans Versnel, oud- raadslid voor de PvdA, wijst op het proces van ‘de gespleten stad’ dat in zijn ogen al langer gaande is. ‘Welgesteld aan de oostkant van de spoorbaan en minder welvarend aan de westzijde. Daarin zie je ook het hoog en laag opgeleid terug.’
Het scherpst wordt dat, vindt hij, geaccentueerd in de verdeling van de gezondheid. ‘Utrecht-oost is de meest gezonde buurt, Zuilen veel minder. Ik vind dat een gevaarlijke tweedeling worden.’


Versnel praat ook over ‘een intellectuele elite’. ‘De mensen uit oost bezoeken de schouwburg en het muziekcentrum. Ze gaan uit eten en bezoeken cafés, gewoon omdat ze meer geld te besteden hebben. En die elite komt soms letterlijk in botsing met een Marokkaans jochie dat er op z’n scooter dwars doorheen rijdt.’

 


Roots Festival 2016 in het Julianapark




Ook Jos Bours van het STUT-theater onderkent die verborgen klassenmaatschappij. ‘Nog steeds lukt het arbeiderskinderen niet goed om massaal naar het hoger onderwijs door te stoten. En de ‘pit’ is uit de wijken. Van het vroegere elan, de strijdbaarheid, is niet veel meer over.’


Bours ziet groepen mensen die geen ‘deelnemer’ meer zijn in de stad. ‘Die hebben zich teruggetrokken, voelen zich slachtoffer en zijn weerloos tegenover een samenleving die meer dan vroeger bepaalde vaardigheden vereist. Zoals verbale begaafdheid, toegang tot het internet en deelname aan het culturele leven. Die mensen gaan niet naar TivoliVredenburg of de Schouwburg. ‘Die stukken hebben niks met ons te maken’, vinden ze. Ze voelen zich er niet door aangesproken. Met als resultaat dat ze zeggen: bekijk het maar.’


Ook bewonersondersteuner Jos Kloppenborg wijst op de risico’s van de maatschappelijke tweedeling. ‘Je ziet het: Kanaleneiland en Overvecht versus de rest van de stad. Zeker qua gezondheid. Wat doe je daarmee als gemeentebestuur?’
Zelf vindt hij dat de groepen binnen de wijken met elkaar moeten worden verbonden. ‘Je moet perspectief bieden. En dat moet je niet van bovenaf gaan regelen. Mensen moeten zich op eigen kracht kunnen organiseren. Daar moet je ze in ondersteunen.’


Voor stadsgeograaf Roland Goetgeluk vormen ‘de mensen die de boot dreigen te missen een tijdbom’. Zowel GroenLinks als D66 zijn daar volgens hem blind voor. ‘Al dat PVV-gestem is niet anders dan een uiting van mensen die de ruimte niet hebben. Als dat niet wordt gekanaliseerd heb je een probleem. Dit is een extreem belangrijke opdracht aan het stadsbestuur van Utrecht.’


Welvaart is voor een groot deel een facade, vindt stadssocioloog Kees van Oosten. ‘Die valt toe aan de elite van de stad. Je ziet dat niet zo omdat er met statistieken ontzettend wordt gegoocheld.’ Hij verwijst naar het Kanaleneiland. ‘Daar is de welvaart minder hoog dan in 1967.’


 


Kees van Oosten (foto: Nieuws030)

 


Van Oosten meent dat Marcel van Dam in dat opzicht gelijk heeft gekregen. ‘En ook econoom Piketty die stelt dat de welvaartstijging zich beperkt tot de bovenlaag, waarbij de middengroep een graantje meepikt. Maar voor veel mensen uit de onderlaag is er sinds 1970 niks verbeterd. Dat zie je op het Kanaleneiland terug. Armoede, voedselbank, torenhoge schulden.’

Hij ergert zich in dat verband groen en geel aan de bouwkosten van een cultuurpaleis als TivoliVredenburg. ‘Daar is voor een godsvermogen aan geld heengegaan. Dat moet allemaal worden opgehoest uit de belastingen. Het is gebouwd voor de elite van stad en regio, gewone Utrechters kunnen daar niet van profiteren. Een aow-er koopt niet even een kaartje van 35 euro. Op die manier is het Muziekpaleis het symbool geworden van de ongelijkheid.’


Ook oud-raadslid van Leefbaar Utrecht, Vincent Oldenborg, constateert dat de verschillen tussen bevolkingsgroepen qua inkomen en cultuur groeien. ‘Ze nemen dan niet meer deel aan het sociale gebeuren. Als er voor een festival in het Julianapark 35 euro toegang wordt gevraagd, dan haken de mensen af.’


Oud-wethouder Hans Spekman is kritisch. Hij ziet Utrecht weer terrein verliezen bij de ondersteuning van kwetsbare groepen in de stad. ‘In het centrum word ik te veel aangesproken door mensen met slechte gebitten die wat geld willen. Ik ben bang voor een nieuwe golf. Zeker het alcoholprobleem is giga. Daarom moet je constant in de gaten houden dat er geen nieuwe crepeergevallen ontstaan. Want hoe langer iemand op straat leeft des te moeilijker is het om die situatie op te lossen.’

 

 

 

Welvaart Utrecht: deel 91
EEN VAN DE BESTE PLEKKEN OM TE LEVEN

 

Het zit niet zo in de aard van de ‘echte Utrechter’, maar een beetje trots op z’n stad is-ie soms wel. Bijvoorbeeld als een website (Dagtripper.nl) de Utrechtse grachten tot mooiste van het land uitroept.
‘Nieuwe Utrechters’ hadden dat al veel eerder geconstateerd. Op hun blogs prijzen ze de sfeer van de binnenstad de hemel in.


Ronald Besemer van ‘Toerisme Utrecht’ is er content mee. Hij herinnert er in het AD/UN aan dat Utrecht volgens een verkiezing van de reissite Travel Bird de zeer verdienstelijke 18e plek op de wereldranglijst van ‘meest inspirerende steden’ inneemt. Zelfs vóór Amsterdam.

 


Festiviteit in Park Oog in Al (foto: Nieuws030)

 


Maar laten we niet al te hard juichen. Want in de Atlas voor Gemeenten wordt Amsterdam nog steeds aangegeven als leukste stad van het land. Die waardering dankt zij aan de monumentale binnenstad, de grote werkgelegenheid en de voorzieningen.


De voorsprong op Utrecht is wel kleiner geworden. Door de uit de hand gelopen groei van het toerisme (de terreur van rolkoffers) en het gevoel van onveiligheid is de hoofdstad minder aantrekkelijk geworden. Bovendien is de woningmarkt er nog meer dan in Utrecht aan het overkoken.


Het Engelse magazine ‘The New Economy’ schreef al eerder dat Utrecht één van de beste plekken is om te leven. Het blad vindt Utrecht niet alleen een aantrekkelijke stad om in te wonen en te werken. Speciaal wordt de samenwerking vermeld tussen de universiteit, de hogeschool en het universitair medisch centrum op het Utrecht Science Park.

 


Wilhelminapark (foto: Nieuws030)

 


Dat Utrechters plezier beleven aan hun stad is vooral zomers goed zichtbaar. De binnenstad is levendig druk, de terrassen zitten vol als het weer dit toelaat en in de avonduren stijgt er een vrolijk geroezemoes op vanaf de werven langs de gracht.


Opmerkelijk is het in de afgelopen decennia toegenomen recreatieve gebruik van de stadsparken. Waarschijnlijk in navolging van het Amsterdamse Vondelpark werd het eerst in het Wilhelminapark steeds drukker. Met name de studenten vonden er een ideale plek om te voetballen, te zonnen en elkaar te ontmoeten.


Later volgden andere delen van de stad, gestimuleerd door gemeentelijk beleid. In onder meer Park Oog in Al, het Julianapark, het Lepelenburg, Park Transwijk en het nieuwe Maximapark zie je dat omwonenden er steeds meer gebruik van zijn gaan maken. Kinderfeestjes, bruiloftsessies, barbecues, festivals, sport en spel, je komt het allemaal tegen. De tijd dat een politieagent op de fiets jouw bal afpakte als je op het grasveld een partijtje speelde ligt gelukkig ver achter ons.


Natuurlijk is er een grens aan het gebruik van het openbaar groen. Nu al is het soms te druk in het Wilhelminapark, waar voetballers en zonaanbidders elkaar in de weg zitten. Ook het optuigen van commerciële activiteiten kent z’n beperkingen. Omwonenden van het Park Lepelenburg maakten al eens bezwaar tegen de komst van een foodfestival.


Maar in ’t algemeen gaat het de stad niet slecht. Op de Leefbarometer 2014 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken scoren de Utrechtse wijken goed. Alleen Overvecht blijft met een onvoldoende achter. De Binnenstad krijgt de beoordeling uitstekend en Oost zeer goed. Voorts is er een ‘goed’ voor Noordoost, Leidsche Rijn en Vleuten-DeMeern. West wordt gewaardeerd met een ruim voldoende en Zuid met een voldoende.
Van de buurten waren er zes ‘onvoldoende’(Queeckhovenplein en omgeving, Wolga- en Donaudreef, Zamenhofdreef, Vechtzoom-zuid, Nieuw Hoograven-Zuid en Kanaleneiland-Zuid). Ruim onvoldoende waren de Neckardreef en omgeving, Zambesidreef e.o., Tigrisdreef e.o. en Kanaleneiland-Noord. De meest populaire buurten zijn Oudwijk

 

 

 

Welvaart Utrecht: deel 90
UTRECHTERS WORDEN OUDER DAN IN ANDERE STEDEN

 


Utrechters zijn in het algemeen wel tevreden over hun eigen stad. Dat blijkt uit de cijfers van de laatste Utrecht Monitor (2015). De meeste inwoners zijn, aldus de onderzoekers, blij met hun buurt (vooral in Leidsche Rijn) en ze reageren positief op het onderhoud van de straten, pleinen en het openbaar groen.


Ook de luchtkwaliteit is – in elk geval gevoelsmatig - verbeterd ten opzichte van de jaren hiervoor. Er zijn minder klachten over stank en verkeersoverlast. En dat de Tour de France in Utrecht startte vervulde veel inwoners (80 procent) met trots.


Belangrijk voor de welvaart in de stad is dat het Utrecht economisch voor de wind gaat. De bedrijvigheid groeit en ondernemers hebben vertrouwen in de toekomst. Zij nemen steeds meer mensen in dienst, zowel in een vast als in een tijdelijk verband. In Europa staat de regio op nummer één wat betreft het aantal parttime banen.


Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is Utrecht een sterke motor binnen de Nederlandse economie. De regio wordt gekarakteriseerd als één van de meest innovatieve in Europa. Daarbij komt dat de leegstand van kantoren daalt en de woningmarkt is opgebloeid na de kredietcrisis.


 


Utrechters worden steeds ouder (foto: Pixabay)

 

Bij dat laatste zijn wel wat kanttekeningen te maken. De kooplust is inmiddels zo groot dat de kandidaten over elkaar heen buitelen en soms tot ver boven de vraagprijs bieden om de woning te kunnen verwerven. Makelaars spreken van ‘een gekkenhuis’, maar zijn daar natuurlijk niet ontevreden over. Die schaarste houdt bovendien nog wel een paar jaar aan. Volgens ramingen is er volgens de gemeente zelfs in 2030 nog sprake van een tekort aan particuliere koop- en huurwoningen. Daarom wil de stad haar bouwprogramma versnellen.


Met een achtste plek op de lijst van meest duurzame steden ter wereld mag Utrecht in haar handen knijpen. Onderzoek van ingenieursbureau Arcadis uit Amersfoort wees uit dat de stad vooral op het gebied van milieu goede scoort. Zij blijft daardoor andere Nederlandse steden ver voor. Amsterdam staat elfde en Rotterdam negentiende.


Qua criminaliteit slaat Utrecht ook geen slecht figuur. De stad is in de afgelopen jaren veiliger geworden en staat niet langer in de top tien van onveiligste gemeenten van het land. Met name de woninginbraken daalden fors (-21 procent in 2015, dit bleef gelijk in 2016).
Na een aanvankelijk flinke afname stegen de autodiefstallen (tot 6007 in 2016) en winkeldiefstallen wel weer, terwijl er iets minder fietsen werden gestolen (4428).
Geweldsdelicten waren er vorig jaar vijf procent minder en ook het aantal straatroven en overvallen is gedaald. Daarentegen steeg het huiselijk geweld met zes procent.


Op onderwijs gebied doet de Domstad goed mee. De kinderen scoren hoger op de citotoets dan het landelijk gemiddelde. En dit jaar werd bekend dat alle scholen in de stad van de Onderwijsinspectie een voldoende of hoger hebben gekregen. Utrecht is daarmee de eerste stad in Nederland. Wel is een derde van de inwoners nog ontevreden over het aanbod van basisscholen in de buurt.


Over hun levensverwachting hoeven Utrechters niet te klagen. Zij blijken iets ouder te worden dan de inwoners van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Gemiddeld halen ze de tachtig (80,1) waarvan 67 jaar in goede gezondheid. Vrouwen leven in doorsnee wel vijf jaar langer (82) dan de mannen (77). Daarbij maakt het wel verschil in welke buurt je woont. De ‘levensverwachting in goed ervaren gezondheid’ ligt in Overvecht met 60 jaar een stuk lager dan in Noordoost (72 jaar).


Op de ranglijst van beste winkelsteden in de Benelux is Utrecht op de achtste plaats geëindigd, achter Amsterdam, Brussel, Antwerpen, Luxemburg, Rotterdam, Den Haag en Gent. Volgens een rapport van vastgoedadviseur JLL zijn de in het voetgangersgebied gelegen Lange Elisabethstraat, Oudegracht en Steenweg de belangrijkste winkelstraten van de stad.


Het ‘shoppen’ zal in Utrecht naar verwachting nog sterk toenemen. In een convenant dat de gemeente sloot met het Centrum Management Utrecht blijkt dat het bezoekersaantal van de binnenstad in 2025 met 15 miljoen zal zijn toegenomen tot 40 miljoen per jaar.


Niet zo gek dus dat erover wordt gedacht het wandeldeel van het centrum flink uit te breiden. Dat betreft dan de oostkant van de Oudegracht, Potterstraat, Vismarkt, Donkere en Lichte Gaard, Wed en het vervolg van de Oudegracht-oostzijde tot aan de Hamburgerstraat. Al eerder stemde de raad in met het voorstel van GroenLinks om het stadhuisplein (Ganzenmarkt) tot voetgangersgebied te maken.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 89
STUDENTEN IN BANEN VOOR LAGER OPGELEIDEN

 


Zoals velen misschien nog weten heeft Utrecht een eigen geschiedenis met sociale achterblijvers. In 1924 werd de Stichting Volkswoningen opgericht, die gezinnen die als niet sociaal werden beoordeeld in speciale buurten plaatste.


De stichting had het beheer over vier complexen: het Houtplein, Ondiep XII (Hooipoort), Ondiep XIII en het Anthonieplein. Het betrof kleine huisjes met minimale voorzieningen. Begeleiders van de stichting hadden de taak om de bewoners op te voeden. Daarover rapporteerden ze aan de gemeente. Pas in 1975 is deze stichting opgeheven.


Naar zulke paternalistische toestanden gaan we hopelijk niet meer terug. Maar het probleem van wat de politici ‘de kloof’ noemen mag niet worden onderschat. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het boek ‘Het geluk van Limburg’ van journaliste Marcia Luyten. Zij nam daarin de huidige bevolking van Kerkrade onder de loep, waar de werkeloosheid hoog is, grote gezinnen in armoede leven en drugscriminaliteit hoogtij viert.


Luyten noemt deze generatie de ‘globaliseringsverliezers’. De groep kan volgens haar door hun lage opleiding slecht uit de voeten in de flexibele, hypercompetatieve mondiale economie’. De winst van de PVV in de verkiezingen van 2010 (36 procent van de stemmen) ziet zij als een ‘opstand’ tegen een maatschappij die te hoge eisen stelt.


Vergelijkbare ontwikkelingen zijn in Utrecht niet ondenkbaar. Want voor de lager opgeleiden zijn, in een stad met veel studenten zoals Utrecht, de kansen op een bepaald deel van de arbeidsmarkt ook niet groot. Denk daarbij aan de horeca. De Atlas voor Gemeenten en onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen hebben dat duidelijk waargenomen.


Zij constateerden dat er voor elke honderd hoogopgeleide instromers tien banen bij komen, voornamelijk in de vrijetijdssector met koffiebars, restaurants en culturele instellingen. Het zijn, volgens de onderzoekers, banen die prima kunnen worden vervuld door lager opgeleiden. Maar het zijn juist de studenten die deze posities als bijbaantje innemen om hun studiegeld aan te vullen.


In de competitie om deze werkplekken moeten de laagopgeleiden – vaak niet-westerse allochtonen zonder startkwalificatie – het afleggen tegen de studenten die erg bereid zijn om tijdelijk onder hun niveau te gaan werken. Het gevaar bestaat dat er daardoor een ‘onderklasse’ wordt gevormd die aan haar lot wordt overgelaten.


Programmaleider Josien Oudemans van de Utrechtse bibliotheek maakte eind vorig jaar bekend dat het aantal laag geletterden in Utrecht zo’n 13 procent van de bevolking bedraagt. ‘Zij kunnen geen bijsluiter lezen, begrijpen een schoolrapport van hun kind niet of lopen tegen problemen op bij brieven van de gemeente of de belastingdienst.’ Met taallessen probeert de bieb hierbij ondersteuning te geven. Die voorzien, aldus Oudemans, vooral in Overvecht in een grote behoefte.

 

 
Hans Spekman (foto: Nieuws030)

 


PvdA-voorzitter en oud-wethouder van Utrecht Hans Spekman is nog steeds heel gevoelig voor deze achterstanden. Hij heeft persoonlijk ervaren hoe het voelt om deel uit te maken van de laagste sociale klasse. Zijn grootouders verdienden wat bij met mollen te vangen om van de gestroopte huiden tassen te maken. Zijn vader, timmerman en kippenfokker in Zevenhuizen, overleed al toen Hans 1 jaar oud was. Geld voor luxe was er eigenlijk nooit.


Het heeft zijn karakter en politieke opvattingen, zegt hij, gevormd. Als wethouder sociale zaken in Utrecht zorgde hij er daarom persoonlijk voor dat de in de ogen van velen de meest verachtelijke bevolkingsgroep – de totaal verslonsde druggebruikers in de tunnel van Hoog Catharijne – een menswaardig bestaan kregen. De credits daarvoor eist hij overigens niet voor zichzelf op. Die geeft hij ruimhartig aan Rob Kok van Leefbaar Utrecht. ‘Die kwam op het idee om die mensen in iedere wijk op te vangen.’


Maar Spekman was blij er als wethouder aan te hebben kunnen meewerken. En trots is hij nog steeds op de wijkbewoners die na gesprekken met hem bereid bleken ruimte voor oplossingen te scheppen in hun eigen omgeving. Zijn persoonlijke drijfveer vond hij in de dood van zijn eigen zusje dat aan drugs verslaafd was. ‘Ik kende de gevolgen van de verslaving dus van dichtbij.’


Hij vertelt met zijn vierjarige dochtertje een keer naar de ‘Tunnel’ onder Hoog Catharijne te zijn gegaan. ‘Daar durfde niemand meer te komen. De mensen sliepen daar in hun eigen poep en pies. Vrouwen werden misbruikt. Het was een afschuwelijke wereld.’


Spekman zag het als zijn opdracht om een menswaardiger leven voor ze te creëren. ‘Ik wilde ze weer ‘buren’ laten worden. Dus probeerde ik ze te huisvesten in ‘hostels’. Maar wel met een draagvlak in de buurt. Dat ging natuurlijk niet zonder slag of stoot. Mensen waren angstig en vroegen zich af of hun kind niet in een spuit zou trappen.’


Maar waar de wethouder indertijd het meest tegenaan liep was het wantrouwen naar het stadsbestuur. ‘Er bestond grote twijfel over de geloofwaardigheid, omdat ze op andere terreinen afspraken niet waren nagekomen.’


Uiteindelijk is het Spekman gelukt. Utrecht is daardoor niet alleen veiliger geworden – het aantal inbraken nam af - maar ook verdween de overvloed aan bedelende junks op straat. De oud-wethouder is er tevreden over. ‘Die verslaafden moesten zich ook weer mens kunnen voelen. En dat is gelukt. Ik was eens bij een begrafenis van iemand uit de ‘Tunnel’. Indertijd een uitgemergelde man. Maar na jaren in het hostel was hij flink aangekomen. Dat vond ik bijzonder. Hij is dik doodgegaan. Er is niks mooiers.’

 

Welvaart Utrecht: deel 88
VERSCHILLEN ZIJN ENORM TUSSEN DE WIJKEN


Hadden we het in de vorige aflevering over de scheiding van bevolkingsgroepen in Utrecht. Vorig jaar stelden Nederlandse wetenschappers vast dat de kloof tussen arm en rijk in de grote steden in heel Europa alleen maar groter dreigt te worden. Zij trokken deze conclusie na onderzoek in dertien hoofdsteden.


Amsterdam leek daar nog het beste uit te springen, maar de wetenschappers zeiden te vrezen dat vooral door de verkoop van sociale huurwoningen die betere positie op het spel wordt gezet. Daarbij heeft ook de ‘gentrification’ oftewel de ‘veryupping’ van buurten een negatieve invloed. Die zou de scheiding met de achterblijvende buurten juist versterken.


Het is niet moeilijk om ook in Utrecht dergelijke ontwikkelingen aan te wijzen. Zet de Vogelenbuurt tegenover Overvecht, of Wittevrouwen tegenover Kanaleneiland. De verschillen tussen deze wijken zijn enorm.

 


Nieuwbouw in Leidsche Rijn grijpt soms terug
op oude bouwstijlen (foto: Nieuws030)


In oktober vorig jaar werd over deze problematiek een openbaar debat gehouden in het ZIMICH theater Stefanus onder de prikkelende titel: ‘Wordt Utrecht een Wassenaar aan de Vecht?’ Kernpunt van de discussie vormde het feit dat het centrum van Utrecht voor veel huurders te duur is geworden. Dat wordt in de hand gewerkt door de corporaties die steeds meer sociale huurwoningen binnen de singels verkopen om aan de randen van de stad nieuwe huizen terug te bouwen.


De manager volkshuisvesting van Portaal, Reijnder Jan Spits, zei dat beleid wel te kunnen verantwoorden. ‘Want daardoor kunnen wij twee keer zoveel woningen bouwen buiten de singels.’ Hij stelde dat de prioriteit ligt bij de beschikbaarheid van woonruimte en dat daarna de spreiding pas komt. ‘In de ideale wereld woont iedereen waar hij wil’, aldus Spits, ‘maar als men mij het mes op de keel zet, dan kies ik voor de beschikbaarheid van woonruimte in plaats van een ongedeelde buurt. Bovendien kunnen de mensen nog gewoon in de stad wonen, alleen niet meer binnen de singels.’


Utrecht volgt daarbij een andere lijn dan Amsterdam. In de hoofdstad houdt men strakker vast aan een ongedeelde stad omdat een tweedeling ten koste kan gaan van de samenhang. Volgens Winnie Terra, voorzitter van de Huurdersvereniging Amsterdam, komen verschillende groepen elkaar dan niet meer tegen. Daarom zijn er in Amsterdam afspraken gemaakt over het aantal sociale huurwoningen in de verschillende wijken.


Op een andere manier probeert het Utrechtse stadsbestuur de bewoners met een laag inkomen wel tegemoet te komen. Vanaf september dit jaar mogen drieduizend minima (met een U-pas) in een voor hen te dure sociale huurwoning gemiddeld 60 euro per maand minder betalen. Daarmee moet worden voorkomen dat steeds meer huurders in financiële problemen geraken. Gemeente en corporaties brengen de kosten gezamenlijk op. Na twee jaar wordt bekeken of de maatregel effectief is geweest.


Dat grote groepen van de bevolking nu al geheel langs elkaar heen leven werd vorig jaar ook duidelijk gemaakt in het rapport ‘Lang leve het verschil, weg met de fragmentatie’ van het wetenschappelijk instituut van het CDA. Daarin werd gesteld dat het veelal gelijkgestemden zijn die elkaar tegen komen. Mensen met een geringe scholing herkennen zich bovendien steeds minder in de politiek omdat die wordt gedomineerd door hoogopgeleiden.


Die sociale ongelijkheid is, aldus de onderzoekers, zichtbaar door het feit dat mensen met een betere opleiding langer leven, eenvoudiger hun weg vinden naar het gemeentehuis, een beter netwerk hebben en beter in staat zijn de klappen van een economische crisis op te vangen. De opstellers van het rapport zien dat de tweedeling al vroeg plaats vindt. Zo gaat een deel van de kinderen na de basisschool naar het vmbo, een ander deel naar vwo en gymnasium. Die twee groepen zien elkaar nauwelijks meer.


Het CDA-instituut meent dat er meer aan moet worden gedaan om die twee groepen elkaar weer te laten ontmoeten. Dat kan volgens de onderzoekers in de sport, op het gebied van toneel en muziek, maar net zo goed voor de televisie. Wat dat laatste betreft waarschuwen ze ervoor dat het weghalen van amusementsprogramma’s bij de publieke omroep ook tot een splijting kan leiden. Alleen maar elitaire programma’s zullen bij een deel van de bevolking niet meer in de smaak vallen, waardoor er te weinig overblijft om samen over het gebodene te praten. Er moet méér zijn dan alleen het NOS-journaal om elkaar te treffen, aldus de onderzoekers.

 



Welvaart Utrecht: deel 87
NIET IEDEREEN VOELT ZICH EEN VOLWAARDIG BURGER

 


Ook PvdA-raadslid Bouchra Dibi luidde halverwege 2015 de noodklok over de dreigende maatschappelijke kloof. In het UN wees ze op de problemen voor Marokkaanse jongeren. Die hebben volgens haar het idee dat ze niet meetellen in dit land, geen kansen hebben of krijgen.


Het gevaar bestaat dan, aldus Dibi dat deze groep vatbaar is voor radicalisering. Of dat ze de criminaliteit in gaan. Het raadslid schat dat het om honderden jongeren gaat. Ze voelen zich op de arbeidsmarkt gediscrimineerd en denken dat ze door hun islamitische achtergrond niet in Nederland worden geaccepteerd.




Bouchra Dibi  (foto: Nieuws030)



Eind vorig jaar waarschuwde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) daar ook voor in het rapport ‘Werelden van verschil’. Dat kwam met tamelijk verontrustende cijfers over het deelnemen aan de samenleving van Nederlanders met Turkse en Marokkaanse wortels. Volgens het SCP voelt de helft van hen zich ‘geen of in geringe mate Nederlander’. Ze hebben niet het gevoel een volwaardig burger te zijn en oordelen vaak negatief over autochtone Nederlanders.


Circa 20 procent van de Turkse en 15 procent van de Marokkaanse Nederlanders onderhoudt vrijwel geen contact met autochtone Nederlanders. De rapporteurs melden dat van de jonge Nederlandse Turken en Marokkanen een belangrijk deel in een toestand van ‘gematigde segregatie’ leeft. Zij hebben wel contacten met autochtone Nederlanders, maar zijn mentaal en cultureel overwegend op het land van herkomst (van hun ouders) georiënteerd. Daarbij hebben ze het gevoel uit de samenleving te worden ‘weggeduwd door discriminatie, uitsluiting, gebrek aan erkenning en aan acceptatie’.


Soms worden die gevoelens binnen de eigen gemeenschap versterkt, zoals het AD/UN vorig jaar aantoonde in verhalen over de Al Fitrah-moskee op Overvecht. Maar er is ook een tegenbeweging die juist probeert de contacten met de autochtone Utrechters aan te halen. Een goed voorbeeld hiervan geeft mijns inziens het bestuur van de Ulu-moskee in Lombok. Dat gooit de deuren van de moskee wijd open voor alle belangstellenden.


Niettemin hebben de bezuinigingen van het rijk en de overheveling van taken naar gemeenten de sociale verschillen – zo lijkt het – alleen maar groter gemaakt. In november vorig jaar was voor de colleges de maat vol. Zij gingen over tot een uniek protest. Namens 234 wethouders van financiën overhandigde wethouder Jan de Laat van Gouda aan minister Plasterk (PvdA, Binnenlandse Zaken) een brandbrief met als boodschap: de grens is bereikt. Verdere bezuinigingen zullen leiden tot lange wachtlijsten in de zorg, verloederde wijken, sluiting van zwembaden, kindercentra en musea en een toename van het gevoel van onveiligheid.


Hoe concreet die bedreigingen kunnen zijn blijkt uit het volgende voorbeeld. In de Volkskrant van 25 november schreef Charlotte Huisman vorig jaar een reportage over de Utrechtse Stichting Leergeld, die de dupe dreigde te worden van het aangescherpte armoedebeleid van de stad.


De stichting zou – als de gemeenteraad daarmee instemde – haar jaarlijkse subsidie van 50 duizend euro kwijtraken. Dat zou heel sneu zijn voor de kinderen van ouders die te weinig geld hebben om mee te kunnen doen op school. Bijvoorbeeld omdat ze geen fiets, schoolkamp of computer kunnen betalen. Die ouders konden tot dan toe bij ‘Leergeld’ aankloppen voor hulp.

 

 
Ulu Moskee  (foto: Nieuws030)



Maar het college van Utrecht vond dat de stichting zichzelf moest gaan bedruipen. Gezinnen met een smalle beurs konden, aldus een woordvoerder, een beroep doen op de U-pas voor de minima. Daarvan kunnen ze voor ongeveer 300 euro per jaar meebetalen aan sportactiviteiten en schoolspullen.


Toenmalig coördinator Hilde Lorier van Leergeld was de schrik om het hart geslagen. Ze vertelde vorig jaar al zo’n vijfhonderd kinderen te hebben geholpen en dat de wachtlijst alleen maar steeg. ‘Zonder onze stichting hebben arme kinderen straks minder kansen’, concludeerde ze.


Gelukkig voor haar begreep de gemeenteraad dat de subsidie echt nodig was. Volgens de nieuwe coördinator Harmen van de Kamp heeft dat voor de stichting veel betekend. ‘We hebben onze positie in de stad versterkt en uitgebreid. Het aantal aanvragen neemt toe en de beleidsmedewerkers van de gemeente weten ons goed te vinden voor advies en informatie.’


Zonder de subsidie was dat niet mogelijk geweest, stelt hij. ‘Nu hebben we een groot deel van onze ambities waar kunnen maken.’


Voor deze stichting liep het dus goed af. Maar er blijkt ook uit dat de scheidslijn tussen succes en de afgrond maar heel klein is. Tot die constatering was de landelijke Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer ook gekomen. Zij stelde eind vorig jaar dat de financiële afwegingen bij de jeugdhulp in Utrecht soms ten koste gaan van het belang van het kind. Ook zou de toegang tot de jeugdhulp in sommige gevallen onvoldoende zijn.


Het Utrechtse college reageerde er gepikeerd op met de mededeling zich in die kritiek niet te herkennen. Volgens b. en w. zijn er helemaal geen signalen binnengekomen waaruit zou blijken dat het met de jeugdhulp niet goed gaat.

 

 

Welvaart Utrecht: deel 86
ARMOEDE IN UTRECHT NEEMT TOE

 

Zorgelijk is dat lang niet iedereen meeprofiteert van de welvaart. Er is een groep die achterblijft. Want ondanks de betere economische vooruitzichten voor de stad is het aantal mensen in Utrecht zonder werk onverminderd hoog.


Halverwege 2014 ontvingen ruim 33.000 stadgenoten een uitkering voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of bijstand. Een stijging van bijna 3 procent ten opzicht van het jaar daarvoor. Het aantal jongeren met een Wajonguitkering beliep bijna vierduizend.


Het afgelopen jaar hebben 7.645 Utrechters Individuele Inkomenstoeslag aangevraagd. Om hiervoor in aanmerking te komen moet iemand langdurig een laag inkomen hebben en geen ‘in aanmerking te nemen vermogen’. Ook moet iemand geen zicht hebben op verbetering van de inkomenspositie.

 


Verouderde flats op het Kanaleneiland worden door projectontwikkelaars gerenoveerd 
Utrechters met een laag inkomen komen daar echter niet voor in aanmerking
(foto: Nieuws030)



De armoede neemt in Utrecht eerder toe dan af. Het aantal bijstandsuitkeringen groeide door naar ruim 10.000. Van de inwoners moet 13 procent (18.000 huishoudens) rondkomen van een inkomen rond het wettelijk sociaal minimum. In 2008 was dat nog 8,5 procent. Voor sommigen blijft er, nadat de schuldeisers langs zijn geweest, zo weinig over dat basisbehoeften niet kunnen worden vervuld. Veel gezinnen komen elke maand honderden euro’s te kort.


Voor een deel komt Utrecht haar inwoners met een laag inkomen tegemoet. Zo kunnen zij gebruik maken van een Collectieve Zorgverzekering voor Minima. De stad werkt daarin samen met Zilveren Kruis Achmea. Inwoners met een U-pas kunnen er aan deelnemen. Dat zijn mensen met een inkomen van 125% van het sociaal minimum.


Zij kunnen kiezen uit 3 pakketten, afhankelijk van de zorgbehoefte. De gemeente betaalt mee aan de premie van de twee meest aanvullende pakketten. De zorgverzekeraar verleent een korting op de basisverzekering. Zo&rsquo

<< terug naar overzicht