Generatie na generatie streed tegen kaalslag

De Binnenstad voelt kleinschalig aan en telt veel mooie historische panden. Vanaf de jaren 50 hebben wisselende groepen zich ingezet voor leefbaarheid van het centrum. ‘Utrecht is na de oorlog door het oog van de naald gekropen’, zegt René de Kam. Hij is conservator stadsgeschiedenis van het Centraal Museum en schrijver van boeken over de historie van Utrecht.

 

In 1958 maakt de Duitse verkeersdeskundige prof. dr. ing. Feuchtinger voor de gemeente een verkeersplan voor de Binnenstad. Utrecht verwacht dat de bevolking van 250.000 naar 350.000 inwoners groeit en vreest toenemend verkeer. Feuchtinger voorspelt dat de buitenwijken steeds belangrijker worden voor wonen en werken. Daarom is een goede centrumverbinding essentieel, dat kan door van de singels een rondweg te maken en krotten in onder meer Breedstraat, Nobelstraat, Springweg, Predikherenstraat, Smeestraat, Wittevrouwenstraat en Lange Nieuwstraat te slopen. Oplevering: 1975.

 

Jaren 50: sloop
‘Er komt grootschalig verzet’, vertelt René de Kam, ‘De belangrijkste kritiek richt zich op het dempen van de stadsbuitengracht, onder meer door het Comité binnenstad en singels.’ Meer mensen spartelen tegen. ‘Het verzet komt van studenten, maar ook van welgestelden. Door het rigoureuze plan sneuvelt een groot deel van de middeleeuwse binnenstad. Het Utrechts Nieuwsblad staat vol ingezonden brieven. Veel mensen maken zich zorgen over de Binnenstad.’

 

Jaren 60: HC
De gemeenteraad vraagt een second opinion aan stedenbouwkundige Kuiper en bewerkt hem het plan (iets) aan te passen. In 1961 stelt die voor de singels deels te dempen, maar om wel veel te slopen. En dan komt Empeo in 1962 met Hoog Catharijne: een plan voor een modern winkelcentrum in Amerikaanse stijl. Met vernieuwing van het station en sloop van de Stationswijk. Voetgangers, bussen en auto’s worden in dat plan gescheiden. ‘Burgemeester De Ranitz vindt het een mooi plan. Hij schrijft zelfs een voorwoord in de eerste publieksfolder. De gemeente wil dit particuliere project wel dragen: het lost de verkrotting van de binnenstad en de verkeersproblemen op.’ In 1963 tekenen gemeente, NS en projectontwikkelaar de contracten voor Hoog Catharijne. Later haakt de Jaarbeurs aan.

 

SchermRené de Kam bij de Mieropskameren (Springweg) die gesloopt hadden zullen worden © Sjaak Ramakers René de Kam bij de Mieropskameren (Springweg) die gesloopt
zouden worden © Sjaak Ramakers

 

Bredero bouwt een nieuwe spoortraverse en zet aan de Croeselaan Jaarbeursgebouwen, kantoren, een sporthal en een parkeergarage neer die in 1970 worden geopend. Bij fase 2 - het stuk tussen CS en Vredenburg, waarvoor de Stationswijk en het iconische gebouw De Utrecht gesloopt worden - slaat de publieke opinie om. Utrechters blijken gehecht aan de witte Jugendstilpanden. Na de jaren 60 is het afgelopen met ja knikken. De jongeren die blowden, feestten en vrijden tijdens de summer of love en universiteiten bezetten, pikken ‘t niet langer. ‘De samenleving verandert razendsnel. Door de Wet op de ruimtelijke ordening móet inspraak. Er komen nieuwe partijen – D66 en de PSP –, maar ook buitenparlementaire actie.’

 

Jaren 70: verzet
De hekel aan Brederodirecteur Jan de Vries, verpersoonlijking van ‘het grootkapitaal’, groeit. Op een muur bij het Lepelenburg verschijnt de kreet Bredero boem! De Rode Jeugd probeert twee keer een bomaanslag op hem te plegen. Op straathoeken wordt vanaf 1970 wekelijks de Muurkrant geplakt met opruiende teksten over Jantje Beton en het College van Beton en Winst. De makers zijn volgens een oud-deelnemer ‘anarchisten die op de zolder van de Kargadoor de teksten met viltstift op grote vellen kalkten.’ Andere actievoerders zijn intellectuelen, mensen die later een rol spelen in de (Binnen)stad: Ger Mik (wethouder), Casper Staal (conservator Catharijneconvent), Frans Kipp en Bart Klück (bouwhistorici). Het verzet tegen Hoog Catharijne als ‘tempel van consumentisme’ groeit. Prinses Beatrix wordt bestookt met brieven met de oproep ‘kom het complex niet openen!’ 25 september 1973 demonstreren 3000 mensen tegen het winkelcentrum dat die middag geopend is. De ME draaft op. Landelijke kranten schrijven negatief over de rol van projectontwikkelaars in binnensteden. ‘En dan wordt het 1975, het nationale monumentenjaar. De Binnenstad wordt beschermd en monumenten geherwaardeerd. Dat is een omslagpunt.’

 

Jaren 80: behoud
‘In het centrum komen HAT-eenheden. Jonge intellectuelen kopen voor een appel en een ei een opknapper. Het is gentrification avant la lettre.’ Stadsherstel (1985) zet zich in voor wonen en werken in historisch erfgoed. De club koopt panden aan - hofjeswoningen bijvoorbeeld –, restaureert en verhuurt die. Het is ook de tijd van de punk, no future. ‘De kraakbeweging trekt zich het lot van de Binnenstad aan en bezet grote panden van speculanten: Vismarkt, Moira en Ubica. Het ACU is de basis; de krakers zijn vegetarisch, feministisch en anti-auto.’

 

Jaren 90: hergebruik
Utrecht klimt in de jaren 90 uit een financieel dal. Het laat monumenten onderzoeken, documenteren, restaureren. Ander gebruik van panden ontstaat. Het Duitsche Huis wordt *****-hotel, scholen en kerken veranderen in appartementencomplexen. ‘Er komt een ander soort projectontwikkeling op, met meer oog voor cultuur en schoonheid.’

 

Nu
‘De Binnenstad is eind jaren 90 in feite opgeleverd; daar profiteren we nog steeds van. De noodzaak in opstand te komen is vervallen. Er is geen verkrotting, geen dreiging van sloop.’ Actievoeren voor het centrum uit zich nu in het protesteren tegen de komst van een afvalbak. ‘De Binnenstad heeft een metamorfose ondergaan. Er is weinig sociale woningbouw, veel horeca. De Binnenstad is onbetaalbaar; het is een terrein voor de elite.’ Cynisch genoeg zijn dat vaak de actievoerders van toen. •


Uit de Binnenstadskrant 2, 2020.
Geschreven door Ineke Inklaar.


<< terug naar overzicht